FORUM

Bezoekadres Kanaalweg 86 3533 HG Utrecht

Postadres Postbus 201 3500 AE Utrecht

Telefoon 030 - 297 43 21 Internationaal: +31 30 297 43 21

Nieuws

13 maart 2012

De staat van integratie

Rotterdam en Amsterdam

Onderzoek door Paul Scheffer en Han Entzinger naar de ontwikkeling van de verschillende migrantengemeenschappen, getalsmatig en op het punt van onder meer opleidingsniveau, arbeidsparticipatie, gezondheid en betrokkenheid bij de samenleving.

 

Enkele conclusies

  • De immigratiegeschiedenis laat zien dat het verschil tussen binnen- en buitenstaanders voortdurend in beweging is. Mijn favoriete anekdote is dat iemand uit de Surinaamse gemeenschap tijdens een debat in de Bijlmer zei: ‘Niemand heeft het meer over ons.’ Het laat zien dat de nieuwkomer van gisteren de gevestigde van vandaag kan worden. Beslissend is dat het idee over de ‘geboren en getogen’ Amsterdammer en Rotterdammer ruimer wordt. Zo laten we het begrip ‘allochtoon’ achter ons en lopen deze steden vooruit op een nieuw beeld van Nederland.
  • Amsterdam en Rotterdam zijn immigratiesteden geworden: ongeveer de helft van de bevolking bestaat uit migrantengezinnen. En het aandeel van de eerste en tweede generatie migranten in de stadsbevolking zal nog verder toenemen. Uit de verkenning van deze steden wordt wel duidelijk dat de komst van flinke aantallen nieuwkomers veel vraagt van instituties als het onderwijs. De kenschets van grote steden als doorgangshuis – waar ook nog eens de laagst opgeleiden het minst mobiel zijn – vraagt om een evenwichtig immigratiebeleid.
  • In de benadering van immigratiesteden wordt terecht nadruk gelegd op de vooruitgang van de eerste naar de tweede generatie. Op meerdere gebieden is een duidelijke verbetering zichtbaar. Daarbij moet wel voor ogen worden gehouden dat momenteel de eerste generatie in Amsterdam en Rotterdam groter is en voorlopig ook zal blijven. En naast de vraag hoe de kinderen zich verhouden tot hun ouders, gaat het erom of ze hun positie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt verbeteren ten opzichte van de samen- leving als geheel. Dan is het beeld minder eenduidig.
  • In het onderwijs zien we genoeg positieve ontwikkelingen – bijvoorbeeld de groeiende deelname van kinderen uit migrantengezinnen aan hoger onderwijs – en tegelijk vormen van achterstand. Gezien de doorgaande migratie zullen nieuwkomers en hun kinderen nog lang oververte- genwoordigd blijven onder de laagopgeleide stadsbevol- king. Daarbij vragen degenen die niet worden meegeteld in de cito eindtoets bijzondere aandacht: in Amsterdam 18 procent en in Rotterdam 15 procent van de kinderen uit groep acht. Uit het beschikbare materiaal voor Amsterdam blijkt dat kinderen met een migratieachtergrond bovengemiddeld zijn vertegenwoordigd in deze groep.
  • Een hoopvolle ontwikkeling is de forse groei van het aantal zelfstandige ondernemers. In beide steden zien we de opkomst van een ondernemende middenklasse. Daar zullen in de komende tien jaar ook meer en meer migranten uit Midden- en Oost-Europa bijhoren. Tegelijk blijft de positie van migrantengemeenschappen op de arbeidsmarkt kwetsbaar; zeker in een tijd van economische terugslag kan de bescheiden vooruitgang van de laatste tien jaar gemak- kelijk teniet worden gedaan.
  • Afgezien van de ‘westerse’ migranten, ligt misschien wel het belangrijkste verschil tussen beide steden in de autochtone bevolking. Die is in Rotterdam duidelijk lager opgeleid dan in Amsterdam. De segregatie van deze autochtone Rotterdammers is ook sterker en hun oordeel over de buurt waarin ze leven is beduidend negatiever dan in de hoofd- stad. Dat alles wil zeggen: denken over integratie gaat over de samenleving als geheel en zeker ook over het laagopge- leide deel van de autochtone bevolking.
  • Er zijn verschillende gebieden waar de uitkomsten van de vergelijking verrassend zijn. De segregatie van migrantengemeenschappen in Rotterdam is afgenomen, terwijl de segregatie in Amsterdam juist is toegenomen. Ander voorbeeld: Amsterdam heeft duidelijk een sterkere economie, maar het aantal uitkeringen in beide steden is ongeveer hetzelfde. Tenslotte valt het niveau van de geregistreerde misdaad in Amsterdam iets hoger uit dan in Rotterdam.
  • Een verdraagzame samenleving vraagt om een zorgvuldige omgang met rechtshandhaving. Daarom heeft het gedogen afbreuk gedaan aan de tolerantie. Juist op het gebied van openbare orde – denk vooral aan de omvangrijke jeugdcriminaliteit – zien we hardnekkige problemen die een belemmering vormen voor het samenleven. En vooral op dit terrein kunnen lokale overheden een verschil maken. Dat realiseren ze zich ook terdege. De geregistreerde misdaad is gedaald, maar ondertussen is de veiligheidsbele- ving in beide steden niet werkelijk verbeterd.
  • Over integratie bestaat nogal wat normatieve onzekerheid. De grote verschillen in religieuze beleving maken een heldere omgang met godsdienstvrijheid nodig. Anders gezegd: om het veelvoud aan levensbeschouwingen tot zijn recht te laten komen zijn een paar gemeenschappelijke normen nodig. Zo gezien is ‘integratie’ vooral het spiegelen van de samenleving aan een idee over gelijke behandeling, dat zowel nieuwkomers als gevestigden zou kunnen aanzetten om eigen vooroordelen onder ogen te zien.
  • Een opvallend en positief gegeven is de sterke vereenzelviging van migranten en hun kinderen met de stad. Dat komt ook tot uitdrukking in het sterk gestegen bezit van een eigen woning. Hoewel we een trek zien van succesvolle migranten naar randgemeenten – waarbij de Surinaamse gemeenschap voorop loopt – is die binding aan de stad een belangrijk uitgangspunt voor het streven naar een versterking van de middenklasse in Amsterdam en Rotterdam.
  • Met de wisseling van generaties zien we een groeiende diversiteit binnen migrantengemeenschappen. Etniciteit verklaart met het verstrijken van de tijd steeds minder. Toch ontkomen we er niet aan om te spreken over problemen die in verhevigde mate zichtbaar zijn in sommige migrantengemeenschappen. Voorbeelden zijn de gezondheidsproblematiek in de Turkse gemeenschap, de lage deelname aan verkiezingen in Surinaamse kring, de dalende arbeidsparticipatie van Antillianen in Rotterdam en de hoge jeugdcriminaliteit in de Marokkaanse gemeenschap. De betrokkenheid van mensen uit deze gemeenschappen bij het nadenken over zulke vragen is onontbeerlijk.
  • Het streven naar ‘integratie’ kan een samenleving onbedoeld verdelen in binnen- en buitenstaanders. Daarom moeten de problemen in migrantengemeenschappen worden benaderd als algemeen maatschappelijke vraag- stukken. Ik noem een voorbeeld: uit de discussie over taalachterstanden onder migranten zijn verschillende initiatieven ontstaan die laaggeletterdheid willen bestrijden, juist ook onder de autochtone bevolking. Op die manier kan de zoektocht naar integratie een bron van maatschappelijke vernieuwing zijn.

 

 

auteurs

• Paul Scheffer, hoogleraar Europese studies aan de Tilburg University, lid Raad van Toezicht van FORUM en tot voor kort bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam

• Han Entzinger, socioloog en hoogleraar migratie- en integratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

 

dowloaden

De staat van integratie

in Amsterdam en Rotterdam

[pdf, 2,4 MB, 70 pagina's]

 

lees meer

Thema Integratie & Emancipatie